Welke opties heb je om als circulair ambachtscentrum samen te werken als rechtspersoon?


In een circulair ambachtscentrum werken verschillende partijen samen. Dat zijn in ieder geval een milieustraat, een kringlooporganisatie, een reparatieplek (zoals een Repair Café), een organisatie vanuit het sociaal domein en een onderwijsinstelling. Sommige circulaire ambachtscentra willen ook juridisch gezien samenwerken en hebben daarom vragen over welke rechtspersonen mogelijk zijn.

Hieronder volgt een overzicht van welke smaken het Nederlandse recht heeft voor zowel privaatrechtelijke rechtspersonen als publiekrechtelijke rechtspersonen. De privaatrechtelijke rechtspersonen vind je in het Burgerlijk wetboek (BW), boek 2. De publiekrechtelijke rechtspersonen/samenwerkingsvormen tref je aan in de Wet gemeenschappelijke regelingen (WGR). Let op dat niet elke publiekrechtelijke samenwerkingsvorm een rechtspersoon naar Burgerlijk recht oplevert. De WGR benoemt de rechtspersoonlijkheid expliciet in het geval de samenwerkingsvorm een rechtspersoon mag zijn.

De keuze voor de vorm van de samenwerking en het instellen van een rechtspersoon hangt af (zoals altijd) van het doel wat daarmee bereikt moet worden. Als je beoogt de samenwerking als instrument te gebruiken om de circulaire economie te bevorderen en als bestuurder in het kader van het algemeen belang te opereren, kun je beter kiezen voor publiekrechtelijke samenwerkingsvormen. Van de privaatrechtelijke keuzes is de stichting de meest neutrale vorm. De organisatie moet zelf inschatten of de keuze voor een stichting gerechtvaardigd is in het kader van het algemeen belang. Hierover kan ook advies bij een deskundige worden gevraagd.

Publiekrechtelijke samenwerkingsvormen (deels rechtspersonen)*

Er bestaan vier expliciet omschreven vormen van samenwerkingsorganen:

  1. Een gemeenschappelijk openbaar lichaam (artikel 8 lid 1);
  2. Een gemeenschappelijk orgaan (artikel 8 lid 2);
  3. Een bedrijfsvoeringsorganisatie (artikel 8 lid 3);
  4. Een centrumconstructie (artikel 8 lid 4).

Daarnaast vloeit impliciet nog een vijfde samenwerkingsvorm uit de wet voort (meer specifiek uit artikel 1 lid 1): de “gemeenschappelijke regeling zonder meer”.

Wet gemeenschappelijke regelingen en literatuur (van Inview)

Gemeenschappelijk openbaar lichaam

(Gol, wordt het meest gebruikt en is mogelijk het meest relevant voor circulaire ambachtscentra).

  • Heeft rechtspersoonlijkheid;
  • Er is een geleed bestuur (algemeen en dagelijks bestuur);
  • Deelnemers kunnen bevoegdheden aan het bestuur overdragen. Die overdracht is toegestaan met betrekking tot de belangen waarvoor het Gol is opgericht. Bovendien moet die overdracht van bevoegdheden passen binnen de doelstelling waarvoor het Gol is opgericht en geldt de overdracht alleen binnen het gebied van het Gol;
  • Overdracht van het algemene bestuur aan het dagelijkse bestuur is toegestaan;
  • Mandatering is toegestaan.

Het gemeenschappelijk orgaan

  • Is meer geschikt voor eenvoudige samenwerking met beperkte doelstelling;
  • Heeft geen rechtspersoonlijkheid, dus kan geen transacties doen;
  • Er is gewoon één bestuur en dus geen dagelijks bestuur;
  • Kan veel minder bevoegdheden krijgen dan een Gol. Een gemeenschappelijk orgaan mag bijv. geen wettelijke voorschriften maken of belastingen heffen;
  • Mogelijk minder interessant voor circulaire ambachtscentra.

De bedrijfsvoeringsorganisatie

  • Kan uitsluitend worden ingesteld door colleges (van burgemeesters en wethouders - B en W);
  • Is meer gericht op ondersteunende processen en uitvoering van taken voor de deelnemende colleges;
  • Is wel een rechtspersoon;
  • Deze vorm is dus gericht op samenwerking en uitbesteding van taken voor meerdere gemeenten, mogelijk interessant voor circulaire ambachtscentra.

De centrumconstructie

  • Het gaat hier om samenwerking tussen gemeenten waarbij er één centrumgemeente aangewezen wordt, die diensten verleent aan de deelnemende gemeenten;
  • De deelnemende gemeenten dragen bepaalde bevoegdheden in mandaat over aan de centrumgemeente en sluiten samenwerkingsovereenkomsten met de centrumgemeente;
  • In die overeenkomsten wordt bijv. geregeld hoe en wanneer er iets gewijzigd wordt, hoe om te gaan met uittreding en met opheffing;
  • Geschillen worden voorgelegd aan Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie en in tweede instantie de bestuursrechter.

De Regeling zonder meer

  • Dit is de lichtste samenwerkingsvorm op publiekrechtelijke grondslag;
  • Deelnemers sluiten overeenkomsten met elkaar over de samenwerking;
  • Maar dragen geen bevoegdheid over aan elkaar;
  • Geschillen worden voorgelegd aan GS en in tweede instantie de bestuursrechter.

Privaatrechtelijke rechtspersonen

Welke rechtspersonen bestaan in Nederland vind je in Artikel 2: 3 (Boek 2) BW: Verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en stichtingen bezitten rechtspersoonlijkheid. Hieronder staan de vormen toegelicht, inclusief enkele kenmerken per rechtspersoon. Gemeenten kunnen ook deelnemen aan een privaatrechtelijke rechtsvorm.

Artikel 2:26 BW e.v. Vereniging

  • Oprichting door overeenkomst, dus een notariële akte is niet nodig;
  • Je kunt wel de statuten vaststellen bij notariële akte. Dat is ook nodig als je als vereniging een registergoed (bijv. een bedrijfspand) op je naam wil zetten;
  • Geen winst onder de leden verdelen;
  • Bestuurders zijn, naast de vereniging, hoofdelijk aansprakelijk voor schulden die tijdens hun bestuursperiode opeisbaar worden (art. 30). Verder kun je na je bestuursperiode nog steeds gezamenlijk aangesproken worden als er geen bestuurslid aansprakelijk is op basis van de eerste regel. Dat laatste telt weer niet als de bestuurder destijds niet geraadpleegd was en toen de uitgave bekend werd expliciet de verantwoordelijkheid geweigerd heeft;
  • Een vereniging heeft leden (personen, tenzij dat anders in de statuten is bepaald). Het bestuur wordt gekozen door de leden.

Artikel 2:53 e.v. BW Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen

  • Een coöperatie is een rechtsvorm die vergelijkbaar is met een vereniging: er zijn leden met een gemeenschappelijk belang, en door samen te werken bereiken ze dit. Maar een coöperatie is ook anders dan een vereniging: bij een vereniging is er geen winstoogmerk, het gaat om ontspanning (bijv. recreatie) of een maatschappelijk doel. Bij een coöperatie werken de leden samen voor hun economische behoeften: vaak is dit om winst te maken, of om producten goedkoper in te kopen. Bij de vereniging en de coöperatie wordt het bestuur gekozen door de leden.
  • Oprichten bij notariële akte is verplicht;
  • De Nederlandse wet onderscheidt drie vormen van coöperaties, en je herkent ze aan de letters UA, BA en WA in de naam van de coöperatie.
    • U.A. = Uitgesloten van Aansprakelijkheid: de leden dragen niet bij in een tekort van de coöperatie.
    • B.A. = Beperkte Aansprakelijkheid: de leden dragen elk tot een vastgelegd bedrag bij in het tekort van de coöperatie.
    • W.A. = Wettelijke Aansprakelijkheid: de leden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het tekort van de coöperatie.
  • Bij een coöperatie B.A. of W.A. moet het bestuur elk jaar een ledenlijst bij de Kamer van Koophandel deponeren. Zo kunnen schuldeisers van de coöperatie zien bij wie ze geld kunnen halen. Bij een coöperatie U.A. is dit niet het geval. Het is dan ook niet op te vragen wie de (gewone) leden van een coöperatie zijn, alleen de bestuursleden staan bij de Kamer van Koophandel ingeschreven;
  • Een onderlinge waarborgmaatschappij richt zich op verzekeringen, dat is dus niet relevant verder voor circulaire ambachtscentra.

Artikel 2:64 BW Naamloze vennootschappen (NV)

  • Oprichting vindt plaats bij notariële akte, die ook de statuten bevat;
  • Kapitaal bestaat uit aandelen die vrij verhandelbaar zijn. Dat wil zeggen dat iedereen ze kan kopen en/of verkopen;
  • De aandeelhouders zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor wat de NV doet;
  • De oprichters hebben wel een schuldaansprakelijkheid voor schulden (als ze wisten/konden weten dat de NV niet aan haar verplichtingen kan voldoen, dit kan je ook wanbestuur noemen);
  • De aandeelhouders hoeven niet meer dan het door hen gestorte aandeel bij te dragen in de verliezen;
  • Oprichting is bij notariële akte door twee of meer aandeelhouders;
  • Minimum aan gestort kapitaal is € 45.000,-;
  • Er moet een bestuur zijn, dat ook zelf is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van koophandel; artikel 2:129 e.v. BW;
  • Het bestuur heeft een aantal administratieve verplichtingen, zie verder boek 2 BW.

Artikel 2:175 e.v. BW Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BV)

  • De oprichting vindt plaats bij notariële akte door één of meer aandeelhouders, waarin ook de statuten zijn opgenomen;
  • Aandelen zijn op naam;
  • De aandeelhouder is in beginsel niet aansprakelijk voor schulden van de BV en hoeft niet boven de waarde van z’n aandeel bij te storten bij verlies;
  • Bestuur moet de BV inschrijven in het Handelsregister;
  • Voordat de BV bij het handelsregister is ingeschreven, ben je als bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor schulden die de BV aangaat in dat tijdvak;
  • Het bestuur is aansprakelijk voor wanbestuur, zie bij NV;
  • Er is geen startkapitaal nodig zoals bij de NV, een aandeel moet minimaal een eurocent zijn;
  • Het bestuur heeft administratieve verplichtingen, zoals elk jaar de jaarstukken opstellen en deponeren bij de Kamer van Koophandel;
  • Voor grote BV’s/NV’s (eigen vermogen boven 16 miljoen, meer dan 100 werknemers) is een raad van commissarissen verplicht. Anders is de instelling van een RvC vrijwillig.

Artikel 2:285 BW Stichtingen

  • Een stichting heeft geen leden;
  • Een stichting wordt opgericht door minstens twee personen bij notariële akte;
  • Bij die oprichting moeten er statuten zijn. Wijziging van de statuten mag, maar de optie daarvoor moet wel in de statuten zelf staan;
  • Heeft een nauwkeurig omschreven doel neergelegd in de statuten;
  • Heeft geen winstoogmerk; doel mag niet zijn om geld uit te keren aan de oprichters tenzij het gaat om een ideëel/sociaal doel;
  • Een stichting heeft een bestuur dat de stichting bestuurt;
  • Een bestuur mag geen registergoederen (huizen/panden) aanschaffen tenzij dit nauwkeurig in de statuten beschreven is. Zie artikel 2:291 BW;
  • Een stichting kan wel een onderneming in standhouden, zolang de winst maar weer besteed wordt aan het ideële doel. Dus de winst moet aan de stichting zelf besteed worden. Zie Online4MKB.nl over de stichting als onderneming.

De bevoegdheid van een gemeente ter zake van het oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon is geregeld in artikel 160 Gemeentewet. In lid 2 van deze bepaling is deze bevoegdheid toebedeeld aan het College van B&W. Die bevoegdheid is gekoppeld aan het behartigen van het openbaar belang. Daarbinnen kunnen ook wel weer niet openbare belangen gediend worden.